Nederlands Filosofisch Genootschap

Just another WordPress.com site

anchor attempt

Advertenties

WERK OP HET INTERNET – een overzicht

Mijn studeerkamer heeft een venster naar de buitenwereld via Internet.

Meerdere vensters zelfs. Het geeft mij de gelegenheid om vast te leggen, beschikbaar en toegankelijk te maken, het voltooide en het onvoltooide, het rijpe en het onrijpe, in alles wat ik doe of denk. Het is ongetwijfeld een exhibitionistisch trekje, van me. Zie, ik geef het onmiddellijk toe! Maar het gaat niet om mijn persoonlijk leven, het zijn geen “selfies” die ik maak, want de camera is naar buiten gericht. Naar kerk en samenleving, naar de Schrift en de theologie, naar filosofie en ethiek, bovenal naar mensen die ik sprak, soms over de diepte van het leven. Ik denk dat het mij vooral om de Bijbel en die mensen te doen is. Die komen uitgebreid aan bod.

Maar ook de filosofie laat me niet los. Er is maar weinig tijd, maar de filosofie van Hegel blijft me fascineren. Soms wil ik mezelf op grote Hegel-projecten vastleggen. Maar Hegel lezen vergt meer tijd en aandacht dan ik kan opbrengen. Soms zegt iemand tegen me, dat het allemaal te versnipperd is. Maar ik ben zelf ook versnipperd, heen en weer getrokken door al deze deze fascinaties. Obsessies soms, bij vlagen.

Midden in het lopende jaar voer ik daarom een Nieuwjaarsvoornemen uit: mezelf te beperken tot een aantal onderwerpen. Hieronder staan ze, in volgorde van belang, met de bijbehorende website.

1. Bijbelstudie

Uiteraard is de site van Koinonia Bijbelstudie de belangrijkste. Op dit moment ben ik bezig met een serie over Jesaja 40 – 66, en met een wekelijkse bespreking van de Romeinenbrief.

www.koinoniabijbelstudie.org

Gekoppeld hieraan is zowel het Youtube-kanaal als de Spreaker-site. Spreaker is hier te vinden:

http://www.spreaker.com/show/koinonia-bijbelstudies”

2. Persoonlijke bespiegelingen

Dit is de Nederlandstalige website waar ik gewoon hardop wil zeggen wat ik denk: reacties, commentaren, essays, hier kun je dat vinden. Het is heel persoonlijk en daarom moet je het ook wel met een korrel zout lezen. Hier wil ik ook de teksten gaan plaatsen waarin ik probeer om de “seculiere betekenis van het evangelie” uit te leggen aan niet-kerkelijken.

http://robbertadrianusveen.wordpress.com/

 Idem, maar dan in het engels

Dit is een engelstalige site, met de bedoeling ook in het Engels gewoon te spreken over de dingen die mij bezighouden.

http://robbertveen.wordpress.com/

3. Discussie met de vrijzinnigheid

Deze Nederlandstalige site is gewijd aan reacties op de vrijzinnigheid. Veel meer dan ik al geschreven heb, zal er niet bij komen, of er moet een acute aanleiding voor zijn.

http://kritiekopvrijzinnigheid.wordpress.com/

4. Werkgroep in Gorssel

Het lesgeven in Gorssel is een van de grootste genoegens van de afgelopen jaren geweest. Ik heb me voorgenomen ook tussen de cursussen door meer te gaan communiceren met deze groep, en op dit moment betekent dat vooral: voorbereidingen treffen voor de nieuwe cursus.

http://gorselgilde.wordpress.com/

5. Studie van de Doperse traditie

Menno Simons en de Doperse traditie blijft me ook boeien. De mogelijkheid om een lezing over de Reformatie vanuit Dopers perspectief te houden, heeft dat weer enorm aangewakkerd. Dit is de site voor Menno en aanverwante onderwerpen:

http://doopsgezind.wordpress.com/

6. Studie van Hegel

De Engelstalige website voor de studie van Hegel staat hier:

http://hegelcourses.wordpress.com/

En dan is dit de Nederlandstalige site voor Hegelstudies. Verbonden met het Nederlands Filosofisch Genootschap waar ik officieel nog voorzitter van ben, maar de vereniging is op sterven na dood. Jammer, maar het is niet anders.

https://nederlandsfilosofischgenootschap.wordpress.com/

 

“Bewustzijn” in Hegels PhdG

Er ligt aan de dichotomie tussen Hegeliaanse dialektiek en Thomistische metafysica een simpel fenomeen ten grondslag, dat twee verschillende voortzettingen uitlokt, zoals dat ooit eens door Schmalenbach in zijn “Geist und Sein” onder woorden is gebracht:

“Het gewetene wordt door het bewustzijn geweten als niet slechts geweten.”

Dat fenomeen geeft aanleiding tot twee verschillende benaderingen. De eerste is die van de Thomistische metafysica:

Het bewustzijn (dat een weten van het gewetene is) kan zich in het weten ook richten – reflecterend – op zichzelf als een zijnde, en zo zichzelf begrijpen als opgenomen in de constitutie van het menszijn. Immers, de mens heeft bewustzijn. Zo begrijpt het zichzelf het beste.

Of die van de Hegelsche dialektiek:

Het bewustzijn (een weten van het gewetene) kan zichzelf het beste begrijpen als een weten van iets, als een weten van het gewetene. Zo kan het zichzelf begrijpen als wat het is, want menszijn is bewustzijn van iets – of: de mens is bewustzijn.

Dat zijn twee verschillende conclusies op grond van hetzelfde fenomeen.

 

 

Of geloof in God redelijk is? – op de manier van Thomas

Bijdrage aan discussie?

Koinonia - Christus belijden

Het geloof in God is redelijk, omdat het innerlijk consistent is in God te geloven en omdat het de empirische kennis die wij hebben niet weerspreekt.

Bij deze vraag gaan we als volgt te werk:

Tegenwerpingen:
1. Het lijkt erop dat geloven in God niet redelijk is. Geloven in God staat immers gelijk met het geloof in Sinterklaas: een kinderlijk geloof dat wordt opgegeven zodra we in staat zijn tot empirisch denken. God is een begrip dat hoort bij een vroeger, bijgelovig tijdperk van de menselijke geschiedenis. Nu we dit infantiele stadium achter ons hebben gelaten, is geloof in God niet langer redelijk.
2. Geloof in God is een vals geloof waaraan mensen vasthouden, ondanks sterke bewijzen van het tegendeel. In iets geloven ondanks bewijzen van het tegendeel is per definitie een irrationeel geloof. Het christelijk geloof kan echter alleen maar worden vastgehouden, als mensen de voorkeur geven aan een…

View original post 1.711 woorden meer

In Memoriam Johannes J.M. Mees

Meer dan 25 jaar geleden werd ik voorgesteld aan doctor Hans Mees in een van de vergaderingen van het NFG, toen nog in Buitenveldert, Amsterdam. Negen of 10 keer per jaar werden daar in de pelgrimskerk lezingen georganiseerd. Dat waren de nadagen van de generatie van prof. dr. Bossard, Louis Hahn, Guldemond, Ko Pronk en vele anderen. Door de invloed van nieuwe leden, vaak met een academische achtergrond, werd in die tijd een poging gedaan om het Nederlands Filosofisch Genootschap een nieuwe start te geven. Er zou een tijdschrift worden uitgegeven, er zouden cursussen worden georganiseerd, en mede op aandringen van Hans Mees ontstond de Kring Noord. Naar het model van het CDA werd er gesproken over filosofische bloedgroepen. De academische tak in Kring West de vrije filosofiebeoefening in Kring Noord. Voor Hans Mees en Ko Pronk was dat een goede ontwikkeling; zij hebben hier met grote inzet aan bijgedragen. Maar de vernieuwing verdeelde ook het genootschap en bijna de helft van de actieve leden in Amsterdam bedankte voor het lidmaatschap. Een nieuwe tijd brak aan. Een cursus georganiseerd in Kring Noord kreeg in het begin een recordaantal deelnemers, meer dan 100 mensen meldden zich aan in drachten. Die cursus werd toen gegeven door een zeer onervaren docent, namelijk ondergetekende, met als gevolg dat aan het eind niet meer dan 10 mensen over waren.
Binnen het huidige genootschap is Hans Mees op zijn eigen bescheiden wijze de stem van de tweede generatie van het Nederlands filosofisch genootschap gebleven. Voor een goed begrip: de eerste generatie is die van Bolland, Wiersma en Hessing, tot de tweede generatie behoorden mensen als Pieters uit de voormalige Rotterdamse wijsgerige Kring, en daarvoor Niehorster en alle anderen van de naoorlogse tijd. Er is geen betere manier om Hans Mees te gedenken, dan door een woord te wijden aan zijn manier van filosoferen. Hij schreef immers zelf:

Dat ik denk betekent niet alleen dat ik ben, maar bovendien wat ik ben. Mijn denken is bepalend voor mijn zijn: mijn denken is mijn wezenlijke zijn: eenheid van mijn denken en mijn gedachten.p. 47

Hoe moeten deze manier van filosoferen getypeerd worden? Dat is geen retorische vraag. Als geen ander heeft Hans de nadruk gelegd op het idee dat er niet over een filosoof gesproken mag worden. Ik citeer:

“wat deze of gene denker meent doet in het geheel ( van het wijsgerige denken) niet terzake. ” Pagina 21

Nadrukkelijk verwijst hij naar de grootmeesters van de Nederlandse idealistische wijsbegeerte: Bolland, Hessing, Niehorster, Hahn, Bossard, Thieme. Hij beschrijft zichzelf als iemand die het allemaal van hen en van vooral Jan Meininger geleerd heeft zelf heeft overgenomen maar met een eigen accent. Pagina 15. De filosofie waar Hans Mees vertegenwoordiger van wilde zijn, in wier geest hij wilde denken, is het denken van Hegel zoals dat, ik citeer, “op indringende en intense, bevrijdende, oorspronkelijk Nederlandse wijze voortgezet, uitgebreid en vollediger gemaakt” werd door de genoemde Nederlandse ‘hegelaren’. Op welke manier werd nu de filosofie van Hegel in Nederland voortgezet? Ik wilde daar eerst een aantal opmerkingen over maken, gerangschikt naar drie verschillende gezichtspunten.

    1. In de eerste plaats het aspect van de methode.Ook komen ze van de dialectiek van Hegel bij de speculatieve redelijkheid van het Nederlandse Hegelianisme.
    2. In de tweede plaats het aspect van de inhoud. Welke inhoudelijke elementen van Hegel systeem komen hier aan bod?

De methode van het neo-Hegeliaanse denken

Ik begin met het aspect van de methode. Net als bij Hegel wordt de methode van het denken niet gezien als een formeel element van het filosoferen dat los van de inhoud kan worden behandeld. Methode en zaak zijn ten diepste een. De zaak legt in zekere zin zichzelf uit, of, in een zwakkere formulering, de methode van het begrijpen moet volledig transparant zijn op de eigen inhoud of betekenis van de zaak. Dat houdt vooral in dat de wijsgerige methode geen voorwaarde of veronderstellingen kent, maar begrepen moet worden als een zuiver denken dat zichzelf fundeert. Wijsgerige uitspraken kunnen geen beroep doen op iets buiten henzelf of buiten het begrip zelf waarop hun geldigheid gebaseerd is. Nadrukkelijk poneert Hans Mees de eenheid van denken en gedachte, en even nadrukkelijk de eenheid van het gedachte en de werkelijkheid.

“Het denken moet het zijnde denken. Het kan ook niets anders denken dan het zijnde. Het zijnde is het denkbare.” Pagina 68.

Maar dan komt een karakteristieke wending.

“Niet alleen in de zin, dat men er over kan denken, als over een of andere bestaande objectiviteit, maar vooral in de zin, dat het zijnde is door het te denken, omdat wij mensen het denken! Het zijn kan niet zijn zonder gedacht te worden en dus ook niet begrepen worden.”

In deze nauwelijks merkbare overgang, vinden we een fundamentele beslissing van het Nederlandse Hegelianisme. Van de constatering dat het zijnde het immanente object van het denken is, oftewel dat het denken het gedachte in de vorm van de onmiddelijkheid, dat is als zijn denkt, en in die onmiddellijke vorm met heel zijn voorlopigheid ook altijd noodzakelijk denken moet, bewegen we ons in de richting van de afhankelijkheid van het zijn ten opzichte van het denken. Spreken en scheppen zegt Hans Mees, met verwijzing naar het scheppingsverhaal in de bijbel, is dezelfde activiteit.

In en door het denken immers wordt het wezen van de werkelijkheid zichtbaar, en vanuit dat wezen kunnen wij inzien dat de werkelijkheid verschijning is, of zelfs voordurende verschijning en verdwijning. Het algemene in de werkelijkheid is dus het belangrijke, het begrip of het denken, of het woord, of de betekenis, allemaal synoniemen van het wezenlijke. De methode van de wijsbegeerte kan dan ook niets anders zijn dan het vernemen van de innerlijke betekenis van de begrippen, het naar hun wezen nemen van het begrip. Redelijk denken is een proces van het uitspreken, verwoorden, van de betekenis van het begrip. De maatstaf voor de toetsing van de geldigheid van dit spreken, ligt in de wijze waarop vorm en inhoud op elkaar betrokken zijn: waarheid is altijd het zich doen gelden van waarheid, het begrip beweert zichzelf, de zaak geeft zichzelf te kennen in en als ons spreken. Het wezenlijke is actief in en als de verwoording van het wezenlijke in ons denken.

De Inhoud van het neo-Hegeliaanse denken

Ik kom dan bij het aspect van de inhoud. Op enkele uitzonderingen na hebben de denkers van de eerste generatie binnen het Nederlands filosofie wordt vooral de poging gedaan om Hegels methode te zuiveren van alle restanten van het verstandelijke denken. De methode moest nu in zijn volledige zuiverheid worden voort ontwikkeld en de meeste vormen van filosofie schoten daarbij tekort. Te vaak leek Hegels denken afhankelijk van een verwijzing naar ervaring. Een absolute speculatieve methode die voortdurend de vorm had van de volledige zelf verantwoording en zelf rechtvaardiging, moest daar voor in de plaats komen. Enkele uitzonderingen daargelaten, zoals de nieuwe poging om de logica van het zijn uit te leggen van de hand van Hessing: Logica als Leer van Zuivere Rede, of ook het werk Logos, van Staargaard, dat de logica van de encyclopedie van Hegel uitwerkt met uitgebreide beschouwingen over de natuurwetenschappelijke inhoud Ook de tweede generatie lijkt voornamelijk bezig te zijn met het uitwerken van de beginselen van de methode. Het accent wordt gelegd naar het probleem waarmee ook Hegel in zijn grote logica al geworsteld heeft, het probleem van het begin.

Een van de artikelen in de bundel Filosoferen, heeft dan ook als titel “Begin.” Opnieuw moet over het begin worden gesproken in de vorm van de zuivere zelf rechtvaardiging: “het begin van het denken is het beginnende denken zelf.” Het begin kan alleen maar worden voorgesteld, dit is geen aanwijsbaar iets en daarom juist is de vorm van de voorstelling noodzakelijk wanneer bij het begin van ons filosoferen denken, blijkt dat begin dus al gedacht te zijn. Onze gedachten over het begin van ons denken laten ons zien, dat het begin van het denken er al is zodra we denken. Beginnend denken is dus al een resultaat van denken omdat het niet anders gedacht kan worden als de noodzakelijke meegegeven grond van het denken: “het begin is zowel grond voor het denken als resultaat van het denken.” Meteen al bij het begin van het denken toont zich dus in dialectiek, omdat dat degene wat net begonnen is met het begin, alweer voorbij het begin is, al een vervolg is op het begin, en alleen in het vervolg is het begin als begin aanwezig . In het vervolg wordt dus pas het begin als begin zichtbaar, anderzijds is er pas met het begin een grondslag voor het vervolg. Het begin van het denken is dus niet alleen de noodzakelijke conditie van het denken, maar wordt in dat denken ook onmiddellijk opgeheven of genegeerd. Het begin als begin is dus eigenlijk zelf het vervolg. Met het denken van een zaak is dus al meteen iets anders dan die zaak in zijn onmiddelijkheid, die zaak als het voor gegeven object van denken, aan de orde gesteld. De dialectiek van begin en vervolg laat op heldere wijze iets zien van de structuur van het denken zelf. De activiteit van het denken is altijd proces, dat is vervolg waarbinnen iets als begin verschijnt, en dat wat als begin verschijnt is in dat vervolg tevens opgeheven. Het is ook een zuiver voorbeeld van de zelffundering van het denken. Immers de verantwoording van het begin van het denken ligt precies in dat vervolg, en dat vervolg is niets anders dan het laten gelden van het begin juist als begin. Het gaat hier om de aard van wat we kunnen noemen het denken van iets. Iets te denken betekent iets in zijn onmiddelijkheid als zodanig te nemen, dus iets te nemen als wat het is binnen het vervolg van het denken dat uitspreekt wat het is. Tussen het gegeven zijn van die zaak en het begrip, waarin dat gegeven als zodanig wordt gesteld, heerst de dialectiek van begin en vervolg.

Hans Mees heeft zich vooral beziggehouden met het doordenken van zijn eigen vak dat wil zeggen de medische wetenschap, en daaraan verbonden zijn grote interesse naast de filosofie: de psychologie. In het artikel “Materie en leven” gaat het over zaken als het ontstaan van de materiële werkelijkheid, de verhouding tussen de bijbelse theologie en filosofie en de eenheid van het filosoferen. Mag ik hier zeggen dat dit tot de zwakste kanten van het filosoferen van Hans Mees behoort? Wanneer hij bijvoorbeeld verwijst naar de Big Bang – hij noemt dat consequent De Grote Knal – spreekt hij over het verhaal van de Grote Knal en laat de dialectiek van het begin erop los. Voor de knal was er niets stelt hij. Dus kan er met de knal niets uiteen vallen. En dat kan niet. De Grote knal is de Grens.

Het is jammer dat hij niet ingaat op de moderne kosmologie met haar theorieën over een tiendimensionale werkelijkheid en het inzicht dat over de eerste fracties van seconden nog geen natuurwetenschappelijk inzicht bereikt is, of de theorievorming over een mogelijk vooraf van de Big Bang in de snaartheorie. De Big Bang is geen ‘grens’ maar een ‘event’ met een eigen begin en einde.

De opvatting dat naast deze wetenschappelijke theorie het verhaal van genesis ook als grensverhaal begrepen zou moeten worden komen is eveneens een misverstand. In de eerste plaats al omdat genesis het vraagstuk van het ontstaan in het geheel niet behandeld. Scheppen is niet het ontstaan van het zijnde uit het niets, maar het tot aan-zijn brengen van de werkelijkheid, dat wil zeggen scheppen is verbonden met bevrijden, ordenen tot harmonie en wederkerige zegen. En het kan ook niet zo zijn wat Mees beweert, dat het verhaal van de Grote knal impliceert dat de werkelijkheid een organisch geleed geheel is. De Grote Knal impliceert dat de wereld ten diepste geleid wordt door kwantum mechanische processen die berusten op waarschijnlijkheid, en dus niet op het teleologische inrichten en toerusten van een schepping tot een doel van hogere orde. Hier toont zich dat in vele opzichten zijn verstaan van wetenschappelijke inzichten het populaire niveau niet overstijgt. De wens om grote verbanden te leggen en de eenheid van wetenschap, theologie, recht en moraal in de filosofie te funderen leidt niet tot dieper inzicht maar wel tot een charmante eigenwijsheid. Hij gaf altijd te denken.

Charmante eigenwijsheid

Zo zou ik hem tenslotte ook willen typeren: als een charmante eigenwijze wijze heer. Iemand die door een stijl van denken is geraakt die het grootste deel van zijn leven voor hem een leidraad zou zijn zowel voor reflectie op het eigen bestaan als voor een praktische levensinstelling, die daarbij ook wel een beetje het karakter van een missionaris vertoonde, en graag anderen wilde meetronen naar al dat mooie dat hij in de filosofie gevonden had.

Hans Mees heeft de leeftijd van de zeer wijzen bereikt. Voor velen is hij de laatste jaren een gids en serene gesprekspartner geweest. Als bestuurder van het genootschap bleef hij ondanks alle tegenslagen geloven in de toekomst. Moge dat zijn erfenis in ons midden bepalen.